Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AH9457

Datum uitspraak2003-07-09
Datum gepubliceerd2003-07-09
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200206329/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij uitspraak van 13 november 2002, in zaak no. 200200180/1, heeft de Afdeling de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is aangehecht.


Uitspraak

200206329/1. Datum uitspraak: 9 juli 2003 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzoek van [verzoeker], wonend te [woonplaats], om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2002, in zaak no. 200200180/1. 1. Procesverloop Bij uitspraak van 13 november 2002, in zaak no. 200200180/1, heeft de Afdeling de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is aangehecht. Bij brief van 28 november 2002 heeft verzoeker de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 10 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasdonk (hierna: het college) een memorie van antwoord ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2003, waar verzoeker in persoon en het college, vertegenwoordigd door P.H.F.M. van Dongen, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 2.2. In het verzoekschrift heeft verzoeker vermeld waarom hij het niet eens is met de uitspraak. Hij stelt allereerst dat het hem als leek op juridisch gebied niet bekend was dat expliciet om het nemen van een voorbereidingsbesluit moet worden gevraagd. Vervolgens betoogt verzoeker dat de aanvraag om vrijstelling tevens het verzoek om het nemen van een voorbereidingsbesluit impliceerde en dat hem vóór de uitspraak van de Afdeling niet bekend was en redelijkerwijs niet bekend kon zijn dat de Afdeling dit zou miskennen. Het bijzondere rechtsmiddel herziening dient er evenwel niet toe om een geschil waarin is beslist, naar aanleiding van de uitspraak opnieuw aan de rechter voor te leggen. Verzoeker draagt verder geen feiten of omstandigheden als bedoeld in voormelde bepaling aan. Er bestaat voorts geen grond voor het betoog dat uit de aangebrachte correctie in de beslissing op bezwaar, zoals die is gehecht aan de uitspraak van de Afdeling, volgt, dat deze beslissing betrekking had op een ander bezwaar. De wijziging behelst immers niets meer dan een verbetering van de datum waarop het bezwaarschrift - met het kenmerk CBWM0269-CBVBA-E1 - is gedateerd. 2.3. Het verzoek dient als ongegrond te worden afgewezen. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat. De Voorzitter w.g. Lodder is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003 17-406.